Skip to content
1658

Huys-gesangen

Franciscus Ridderus

Stemme: psalm 116. Ick heb den Heere Lief. 1. HEt Christen volck sucht onder menigh quaet Het lijd gebreck en schaersheyt in de neeringh

Het lijd de koorts, de kancker, en de teeringh Nochtans dits geen bewijs van Godes haet. 2. 't Is waer, de oorsaeck leydt in yders sondt:

Doch Godt verandert slaegen in beprouven: Het vleesch vindt in de ellend veel bedrouven Waer lichaems pijn is voor de ziel gesondt. 3.

Dan kendt de Christen Gods rechtvaerdigheyt Dan wil 'tgebedt te vyeriger nae boven: Dan leert men Godt in zijne goetheyt leven Want hier door werkt Godt de boetvaerdigheyt.

4. De zwaerste smert is maer een vaders slagh: Des kussen wy de roede van ons vader De ellend brenght ons tot ons Heer wat nader

Maer altijt leert de roede, Gods ontsagh. 5. Wy lijden 'tal, hoe zwaer de ellend druckt: Wy geven soo aen andre goet exempel.

Verlost, dan gaen wy dadlijck na Gods tempel Ten danck, dat hy ons soo uyt ellend ruckt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Huys-gesangen · Franciscus Ridderus · Poetry Cove