Skip to content
1658

Huys-gesangen

Franciscus Ridderus

Stemme: psalm 51. Ontfermt u over my arme sondaer. 1. ICk ben van Christi tafel opgestaen, In meeningh om my voor de sond' te wachten:

Maer ah! ik vindt daer toe seer kleyne krachten, Ick heb seer haest al weder quaet gedaen, Ick voel een lust tot eenigh eygen quaet Ick kan my daer ten vollen niet van vryden.

Dit is de vyandt die my haest verraet. Ah! kon ick daer eens dapper tegen strijden. 2. Hoe ben ick dus genegen tot de sond?

'tBedorven vleesch bederft mijn eerste lusten: De werelt en de Duyvel wil niet rusten Maer locken my tot breuck van Gods verbondt. Dan legh ick sorgeloos voor Godes straf:

Dan ben ick stout voor Godes eygen oogen: Dan ben ick yverloos, en traegh, en laf, Dan vindt ick my seer onversiens bedroogen. 3.

Als ick my vindt op 'tbeste in mijn staet, Soo wort ick licht, of door een quae gedachte, Of door een lusje, dat ick niet en wachte, Belet, soo dat ick dan het goed' verlaet.

Of soo ick dan noch voortgae in mijn plicht: 'tIs onreyn werck, en door de sond' geschonden, Heer, weeght ghy my met my, ick ben te lichte Maer weeght my nae 'tgewicht van Christi wonden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Huys-gesangen · Franciscus Ridderus · Poetry Cove