Skip to content
1658

Huys-gesangen

Franciscus Ridderus

Stemme: Psalm 23. Mijn Godt voedt my &c. 1. GEdanckt, mijn Godt! moet uwen Name wesen, Dat ghy ons geeft de kennis van u Wesen.

Het schepsel selfs roupt uyt met vollen monde, Dat ghy een eenigh waer Godt zijt bevonde. De dwase wil met tong dit niet belijden: Nochtans 'tgemoedt getuyght dit t'allen tijden.

2. Maer 'tschepsel kan ons tot u Heyl niet leyden, Die 'tWoort niet heeft blijft van u afgescheyden, De Heyden kent noch Iesus noch zijn Leere:

En daerom kan hy sigh oock niet bekeere, 'tGeloof dat komt als ghy u Woort laet hooren: Ghy geeft 'tGeloof aen uwe uytverkooren. 3.

Maer sal u Woort, 't Geloof in ons ontsteecken, Soo laet u Geest ons nimmermeer ontbreecken. De wijste mensch moet oock de Schrift doorlesen: Of anders moet hy voor u Oordeel vreesen:

Uw Wet wijst ons hoe dat wy moeten leven. Maer 't Evangely moet ons 'tLeven geven. 4. Heer ! laet u Geest ons leyden na de Schriften:

Op dat wy vry zijn van Geest-drijvers driften. 't Sy niet ghenoegh, dat wy u Woorden leeren: Of dat wy daer van konnen disputeren. 'tGeloove moet oock door de liefde wercken,

Wilt ons o God! in dit geloof verstercken.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Huys-gesangen · Franciscus Ridderus · Poetry Cove