Skip to content
1658

Huys-gesangen

Franciscus Ridderus

Stemme: Onse vader in Hemelrijck. 1. DE sonde die ons meest komt by, Is giericheyt en hovaerdy:

Dan komt daer by onmatigheyt, Oock pronck, en dan lichtvaerdigheyt. Geveynstheyt ons oock licht besmet, Soo staen wy schuldigh aen Gods Wet.

2. Wy zijn ondankbaer tegen Godt: Wy zijn misnought over ons lot: 'tMisbruyck van 'tuyterlijcke goedt:

In plaegen een verhardt gemoedt: Dit komt uyt ongeloovigheyt, En baert dan ongehoorsaemheyt. 3.

Gods dagh de meeste sonden heeft: Den Doop en woort niet wel beleeft. 'tVerbondt en wort niet wel bewaert: Gods woort is veelen seer onwaert:

'tGebedt geschiedt niet met verstandt, De Aelmis vindt geen milde handt. 4. De leugen schijnt een nodigh quaet:

Wie ist, die achterclappen laet? Men oordeelt veel dingen verkeert: De ergernis wort niet geweert. De gramschap duert een langen tijt:

Soo quelt ons haet, en bitse nijt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Huys-gesangen · Franciscus Ridderus · Poetry Cove