Skip to content
1658

Huys-gesangen

Franciscus Ridderus

Stemme: psalm 50. Godt die der Goden Heer is spreecken sal. 1. HOe nauw dat wy op alles 'toogh doen gaen, Soo blijven noch veel plichten ongedaen:

En 'tgeen wy doen heeft noyt zijn leden al: 'tGeen huyden bloeyt, raeckt mergen in verval: Soo datmen spoedigh dient te reformeeren: Of anders sal 'tverval ons overheeren.

2. Slaet handt aen 'twerk, ghy die als Gooden sit: Doorsouckt en betert, 'traedthuys, lidt voor lidt, Van gunstigh recht, en snoode Cuypery:

Maeckt Landt en straeten van het vloucken vry: Weert Sabbathschendingh, en oock afgodisten: Dan sal Godt met ons Landt niet meer soo twisten. 3.

Komt, Dienaer Gods, en set u in de reedt: Maeckt dat de minste sonde ons zy leedt. Preeckt streng de wet: verschoont noch kleyn noch groot. Bevryd het volk van ellend, en de doodt.

Begint verbetringh van u eygen leven Soo sal u dienst ons veel meer vruchten geven. 4. Ick neem oock selfs de reformatie voor:

Ick gae daer toe mijn huys sien door en door: Op dat ick reformeer en kindt en knecht: En 'tgeen vervallen was, soo brengh te recht: Maer sal ik, Heer, met vrucht yet reformeeren

Soo wilt my eerst het herte recht bekeeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Huys-gesangen · Franciscus Ridderus · Poetry Cove