Skip to content
1658

Huys-gesangen

Franciscus Ridderus

Stemme: psalm 2. Waerom raest dat volck &c. 1. MYn Godt! ghy zijt mijn hulp in alle noodt, Als ziel en lichaem veel dingen ontbreecken:

'tHert stort sigh in u vaderlijcke schoot, Van anghst en vrees aen alle kant doorsteecken. Ah! laet u Geest mijn traege ziel opwecken: Verhoor, al zijn mijn woorden niet volmaeckt.

Laet Christi handt mijn onvolmaeckheyt decken; Op dat mijn suchten selfs u herte raeckt. 2. Wat is het bidden van een godtloos mensch?

Een onreyn dingh: en huylen als van honden. Wat is des vroomen woort, jae herten wensch? 'tHeeft kracht, besprenght met 'tbloet van Christi wonden Hoe derf ick, Heer! soo tot u komen naeder?

Mijn sondigh hert schrickt voor u reyne oogh: Ten waer dat ghy in Christo waert ons Vader, Noyt quam 'tgebedt tot u in gunst om hoogh. 3.

Ick moet eerbiedigh tot mijn Schepper gaen: Ick moet in nedrigheyt mijn lichaem buygen: Ick moet oock vast in mijn geloove staen: Want van Godts trouw zijn in zijn woort getuygen.

Dan sal my Godt genaediglijck verhooren: Ist niet nae wensch, 'tsal zijn tot zaeligheyt: Heer ! geeft my 'theyl van die ghy hebt verkooren, En maeckt my tot wel bidden toch bereydt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Huys-gesangen · Franciscus Ridderus · Poetry Cove