c. Vr.
Wat kragten ontbreken dan een natuurlijk mens?
Ant. Tot boven-natuurlijk, en tot inwendig geestelijk goet; als daer is, het geloove, de bekeeringe en veranderinge des herten: liefde Gods, en des Naesten: De yver en heylige beweginge des gebeds, etc. Gelijk dese dingen van den Mens worden vereyscht, Matt. 22.37. Gy sult lief hebben den Heere uwen God, met geheel uw' herte, met geheel uwe ziele, en met geheel uw' verstant, vs. 39. Gy sult u Naesten lief hebben als u selven, Prov. 23.26. Mijn Sone geeft my u herte, Joan. 4.24.