c. Vr.
Hoe is 't dan te verstaen, dat de kleederen van Christus, de schaduwe van Petrus, de sweetdoeken van Paulus, hebben sieke gesont gemaekt? Mat. 9.21. Act. 5.15. Act. 19.12.
Ant. Dese kragt stak niet in dese uyterlijke dingen, maer God dede op die tijd extraordinare wonderen door die dingen, tot bevestinge des Euangeliums: dese kragt ging niet uyt van de kleederen, maer van Jesus selve, Marc. 5.30. Jesus bekennende in hem selven de kragt die van hem uitgegaen was: keerde hem om in de Schare, ende seide, wie heeft mijne kleederen aengeraekt, Act. 3.11. Petrus seide, Gy Israelitische Mannen, wat verwondert gy u over dit, of wat siet gy soo sterk op ons, als of wy door onse eygene kragt ende godsaligheid desen hadden doen wandelen, vs. 16. Door het geloove in Jesum heeft sijn hand desen gesterkt, Joh. 5.4.