c. Vr.
Hoe soude een bedroefde ziele die niet bidden kan, sig mogen versekeren datse de Geest des Gebeds evenwel heeft?
Ant. Door dese teikenen:
(1.) Als men nog neerstig is in het gebruyk van goede middelen om wel te leeren bidden, Luc. 11.1. Heere leert ons bidden, Esa. 63. vs. 17. Ps. 37.3. Vertouwt op den Heere.
(2.) Als men gevoelt een meerdere drift tot geestelijke als tot lichamelijke dingen, Ps. 63.2. O God, gy zijt mijn God, ik soeke u in den dageraed, mijn ziele dorst na u, mijn vleesch verlangt na u, in een Land dorr' ende mat, sonder water, Ps. 4.7. Matt. 6.33. Soekt eerst het Koningrijke Gods en zijn geregtigheid.
(3.) Als men sugt en kermt tot God over de doodigheyd des herten ontrent de Gebeden, Ps. 38.10. Heere voor u is alle mijn begeerte, ende mijn sugten en is voor u niet verborgen, Rom. 8.26. Wy en weten niet wat wy bidden sullen, maer de geest bid voor ons met onuitsprekelijke sugtingen.