b. Vr.
Waerom heeft God dan hem selven somtijds in sekere gedaente vertoond?
Ant. Tot bewijs van zijn bysondere tegenwoordigheyt, en niet om daer na een Beeld te maken, want die vertooningen zijn verscheyden geweest in bysondere teekenen, Deut. 4.15. Wagt u dan wel voor uwe zielen, want gy en hebt gene gelijkenisse gesien, ten dage als de Heere op Horeb uit het midden des viers tot u sprak, vs. 16 Op dat gy niet verdervet, en maket u iets gesnedens, de gelijkenisse van eenig beeld, de gedaente van Man of Wijf, Esai. 40.28. Rom. 1.23.