c. Vr.
Waer aen kend men nader de opregtigheid des herten?
Ant. Aen dese ken-teikenen:
(1.) Als men Gods Woord soo lief heeft, dat men gaerne verdraegt, dat het als een ligt ontdeckt het binnenste van het herte, Ps. 29.2. Proeft my, Heere, ende doorsoekt my, toetst mijn nieren, ende mijn herte, Joh. 3.21. Die de waerheid doet komt tot het ligt, op dat zijne werken openbaer worden, datse in Gode gedaen zijn.
(2.) Als men niet alleen voor het ooge van Predicanten, en van andere vrome menschen, Godzalig leeft, maer insonderheid, als men alleen is, of als men by godloose is, Phil. 3.12. Alsoo dan, mijne geliefde, gelijk gy alle tijd gehoorsaem geweest zijt, niet in mijne tegenwoordigheid alleen, maer veel meer in mijn afwesen, werkt u selfs zaligheid, met vreesen en beven, Ps. 33.15. God let op alle hare werken.
(3.) Als men op Gods Wetten soo naeuw agt geeft, dat men de minste niet versuymt, ja sig ook wagt van alle schijn des quaeds, 1 Thess. 5.12. Onthoud u van alle schijn des quaeds, Matt. 23.23.
(4.) Als men niet alleen in voorspoet, maer ook in tegenspoet vast blijft staen in de wegen Gods, Ps. 78.34. Als hyse doode, soo vraegden sy na hem, ende keerden weder, ende sogten God vroeg, Hos. 6.1. Laet ons wederkeeren tot den Heere, Job. 1.8.