c. Vr.
Hoe stond het doe ter tijd in het Koningrijke Israels?
Antw. Al-hoe-wel dat Jehu niet yverde met een regt herte voor God, soo beloofde hem nogtans de Heere, om dat hy de dienst van Baal hadde uytgeroyt, en om dat hy Achabs geslagte had omgebragt, dat zijn sonen tot in het vierde gelit hem souden succederen: So is dan sijn sone Joahaz Koning geworden in sijn plaetse, dewelke van Hazael, den Koning van Syrien seer is bevogten: Maer hy is op sijn vyerig bidden verlost; dog hy was so geslagen door Hazael, dat hy maer vijftig Ruiteren, thien Wagenen, en thien duisent Voet-volk had overig behouden, 2 Reg. 13.3. De Heere gafse in de hand Hasaels, 2 Reg. 10.30.