c. Vr.
Wat willen dan al die plaetsen seggen, daer Jesus geseyt wort gestorven te zijn, etc. voor alle, voor de werelt, ja voor de geheele werelt, 1 Joh. 2.1, 2. Joh. 3.16.
Ant. Behalven dat die woorden somtijds maer beteekenen een gedeelte van de werelt: gelijk te sien is, Luc. 2.1. Daer ging een gebod uit van de Keiser, dat de geheele werelt soude beschreven worden, 1 Joh. 5.19. So is dit de sin in alle die plaetsen, dat Christus nu niet meer voor de Joden alleen, maer ook voor allerley soort van Heydenen, een Zeligmaker was, dewijle het nu de tijt was van de roepinge der Heydenen. Aldus leggen dit uyt de Zalige in den Hemel, Apoc. 5.9. Gy zijt geslagtet, en hebt ons Gode gekogt met uwen bloede , uit allen geslagte, en tale, en volk, en natie, Rom. 3.19. Rom. 11.12. Den val der Joden, is de rijkdom der werelt.