c. Vr.
Wat pligten heeft de man tegen zijn vrou waer te nemen?
Ant. De pligten des mans zijn dese:
(1.) De man moet sijn vrouw houden in liefde en eere, als sijn mede-helft, en soo in vriendelijkheyd deselve handelen, Eph. 5.28. De mannen sijn schuldig haer eige vrouwen lief te hebben als haer eige lichaem, Col. 3.19. 1 Pet. 3.7.
(2.) Hy moet sijn respect en aensienlijkheyd bewaren, dat hy leve als het Hooft der vrouwe, 1 Cor. 11.3. De man is het Hooft der vrouwe, 1 Cor. 14.35.
(3.) Hy moet de vrou in alles na vermogen wel versorgen van 't geen tot onderhoud des huisgesins noodig is, 1 Tim. 5.8. Indien imant de zijne, en insonderheid zijne huis-genoten niet en versorgt, die heeft het geloove versaekt, Eph. 5.29. Want niemand heeft oyt zijn eigen vleesch gehaet, maer hy voed en onderhoud het.
(4.) Hy moet op de manieren van sijn vrouw agt nemen, ende maken dat door sijn exempel, en goede huys ordre, de vrouw tot goede wandel werde geleyd, 1 Tim. 3.4. Die zijn eigen huis wel regeert, 1 Pet. 3.7.