c. Vr.
Hoe is 't, na dese Babylonische gevangenisse, gegaen met de Joden die in Canaan, en te Jerusalem waren gelaten?
Ant. Nebucadnezar heeft Mattania, een soon van den Koning Josias, Koning over haer gemaekt, in de plaetse van Jojakim, en heeft hem genaemt Zedekias: Dog dese heeft ook tegen den Koning van Babel gerebelleert; hy leefde seer godlooslijk; ook leefden de Priesteren en het volk seer godlooslijk, spottende met de Mannen Gods, die haer tegen de sonden quamen te waerschouwen, 2 Chron. 36.14. Doe maekte de Overste der Priesteren, en al het volk, des overtredens seer veel, na alle grouwelen der Heidenen, 2 Chron. 36.15, 16.