b. Vr.
Hoe soude een godsalige ziele sig konnen vertroosten, dewijle die geestelijke verlatinge nog op haer is?
Ant. Door dese gedagten:
(1.) Dat dit is het lot der aldervroomste geweest, en nog is. Christus selve heeft aldus versogt geweest, Matth. 27.46. Mijn God, mijn God, waerom hebt gy my verlaten? Psal. 32.2. Job 6.4. De pijlen des Almagtigen zijn in my, welkers vierig fenijn mijnen geest uitdrinkt.
(2.) Dat God niet meer als het gevoelen van sijn genade onttrekt, maer dat hy evenwel dan nog is en blijft de vriend van de sijne, Esai. 49.16. Siet ik hebbe u in beide hand-palmen gegraveert, Ps. 22.10.
(3.) Dat dese ellende niet altijd dueren sal, maer dat wy Gods aenschijn in vrede nog sullen sien voor ons sterven, Ps. 27.13. Soo ik niet en hadde gelooft, dat ik het goede des Heeren soude sien in het land der levendigen, ik ware vergaen, Ps. 42.6. Wat buigt gy u neder, ô mijne ziele! ende zijt onrustig in my? hoopt op God, want ik sal hem nog loven, voor de verlossinge zijnes aenschijns.
(4.) Dat God sijn bestemden tijd heeft, die voor ons de beste is, in welke hy sijn gunst ons wederom sal doen gevoelen, Esai. 30.18. Daerom sal de Heere wagten op dat hy u genadig sy. Esa. 49, 8.