c. Vr.
Wat wedervaren had hy in sijn eensaemheid?
Ant. Daer quam de Engel des Verbonds in schijn van een Man met hem worstelen: dog Jacob merkende dat dit een Engel was, worstelde tot de dageraed toe, ende en wilde den Engel niet laten gaen, voor dat hy van hem gezegent was, Gen. 32.26. Jacob seide, ik en sal u niet laten gaen, 't en zy dat gy my zegent, Gen. 32.24. Hos. 2.5.