c. Vra.
Wat nuttigheyt heeft die natuerlijke kennisse Gods?
Ant. De Heere heeft dit overblijfsel van het beelt Gods na den val nog in den mensche gelaten. (1.) Op dat de menschen niet als beesten onder malkanderen, en tegen de Vrome, sonder redelijkheyt en vrese souden leven. (2.) Om dat de Heere in de sijne die kennisse wilde gebruyken, om te leeren sien wat door den val verloren was, om haer also door zijn genade ten regten wederom te brengen. (3.) Op dat die gene, dewelcke dese natuerlijke kennisse misbruyken, buyten alle verontschuldinge souden zijn, als sy verloren gaen, dewijle sy die dingen doen, dewelke sy weten quaet te zijn, Rom. 1.20. Op dat sy niet te verontschuldigen en souden zijn. vs. 18. Als die waerheyt in ongeregtigheyt t' onder houden. Rom. 1.23, 32. Rom. 2.14, 15.