b. Vr.
Welk zijn de gemeine Articulen?
Ant. Dese na-volgende.
(1.) Dat 'er een Godt is, die alles geschapen heeft, en nog alles regeert, Hebr. 11.6. Die tot God komt, moet gelooven dat hy is. Ps. 10.4.11.
(2) Dat die God moet ge-eert, en gedient worden, Mal. 1.6. Ben ik een Heere, waer is mijn vreese? Rom. 3.18.
(3) Dat God nauwe acht slaet op onse werken, Psal. 139.2. Gy weet mijn zitten en mijn opstaen, Psal. 94.10.
(4.) Dat God een yeder vergelden sal na sijne werken, Hebr. 11.9. Die tot God komt, moet gelooven dat hy is, en dat hy is een belooner der gener die hem soeken. Mal. 3.14, 15, 16.
(5) Dat die vergeldinge ten vollen in dit leven niet geschiet, maer na dit leven, Mal. 3.18. Dan sult gy Lieden wederom sien het onderscheid tusschen den Rechtveerdigen, en den Godlosen: Tusschen dien die God dient, en dien die hem niet en dient, 1 Thess. 1. 6, 7.
(6.) Dat men God moet bidden, om alle noodige dingen, na Ziele, en na Lichaem, Psal. 50.15. Roept my aen in den dag der benautheid, Joh. 1.14.