b. Vr.
Waer in bestaet de nederigheyd der menschen?
Ant. Dese nederigheid heeft dese werkingen:
(1.) Dat men niet ligt gebelgt is, als of men aen kleyne dingen groot ongelijk lijd, 2 Sam. 16.10. David seide laet hem vloeken, Ps. 39.5, 10.
(2.) Dat men van sig selven niet roemt, als of men veel beter ware als andere zijn: maer veel eer, dat men andere meer agt als sig selven, Phil. 2.3. En doet geen ding door twistinge of ydele eere, maer door ootmoedigheid agt d' een den anderen uitnemender dan hem selven, Eph. 3.8.
(3.) Dat men andere terstond niet scherpelijk oordele als sy gefeylt hebben, Gal. 6.1. Broeders, indien ook een mensche overvallen ware door eenige misdaed, gy die geestelijk zijt, brengt den sodanigen te regte met den geest der sagtmoedigheid, Luc. 18.11.