b. Vr.
Wat gedachten zijn in den Onherboorne en Godloose?
Ant. Sy hebben dese gedagten:
(1.) Dat God op alle dingen soo nauwe agt niet slaet, Ps. 24.7. Sy seggen, de Heere siet het niet, Ps. 10.11. Hy seid in zijn herte, God heeft het vergeten: Hy heeft zijn aengesigte verborgen, hy ziet niet in eeuwigheyd, (2.) Dat God soo hard niet straffen sal, als de Predikanten prediken, Deut. 29.19. De godloose seid, ik sal vrede hebben, wanneer ik schoon na mijns herten goeddunken sal wandelen, Mal. 2.17. Sy seggen waer is de God des oordeels? Jude vs. 4. Sy misbruiken de genade tot ontugtigheid, (3.) Dat een gedaente en schijn van godsaligheid en deugt genoeg is, 2 Tim. 3.5. Sy hebben een gedaente van godsaligheid; maer de kragt hebben sy ver- loochent, Apoc. 3.1. Gy hebt de naem dat gy leeft, en gy zijt dood. (4) Dat yder sijn lust wel volgen mag, als hy 't vermag te doen, Phil. 3.19. Welker God haer buik is, Rom. 13.14. Versorgt het vleesch niet in zijn begeerlijkheden.