c. Vra.
Hoe bevinden haer de geloovige onder dese temtatien?
Ant. Sy zijn seer ontrust en vervoert van herten, sy zijn vol angst en vreese: vol schrik en benauwtheyd, Rom. 7.24. Ik ellendig mensche! 2 Cor. 12.7, 8. Hierover hebbe ik den Heere drie mael gebeden, op dat het van my soude wijken, Job 16.12. Ik hadde ruste, maer hy heeft my verbroken, Esai. 63.17.