Skip to content
1700

Dagelyckse huys-catechisatie

Franciscus Ridderus

Stemme: Ps. 14. De aerd' is onses Gods, &c. Gemaekt op het Jaer 1656. by de selve occasie. 1. O Was ik nu geheelijk tong! Hoe riep ik uyt, hoe mild, hoe song Ik, groote God, u goedigheden, Hoe soud' ik met een hoogen toon U deugden, groote Hemels Soon, Door 't oor der Volkeren ontleden?

2. O was ik nu geheelijk oor Om na der Cherubijnen Choor Te luist'ren en haer lof-gesangen! Geen toon, ô Jesu! is my soet, Als daer ik uwen naem ontmoet, Wiens liefd' mijn ziel gantsch heeft bevangen.

3. O was ik nu geheelijk oog. Om dit soo heerlijk vertoog

Aendagtelijken aen te schouwen! Soo in de kist van 't Heil-verbond Uw' oogen selfs genoegen vond, O Cherubims, soud 't my berouwen?

4. O Jesu! 'k vind dit heil te groot Om in 't begrijp van sang en nood Te palen, 'k vind voor al mijn sinnen Hier werks genoeg, en nog te veel, 'k Vind stof voor oog, en oor en keel, Waer sal ik uwen lof ontginnen?

5. Ik vind in dees gewenschte nagt Meer wonder-daden uit-gewragt Als in de schepping aller dingen, Het Schepsel sijnen Schepper baert, Het vleysch hier met den Hemel paert, Wie kan dat wond'ren wonder singen?

6. O wonder-nagt, onder wiens kleed Een zwart gordijn soo groot Propheet? En Vorst, en Priester, leid verscholen, Het ligt der alderblijdste dag By uw het minst niet halen mag: De Son sal 't Aerdrijks donk're holen,

7. Soo ras niet brengen in het ligt, Of setten ook voor het gesigt 't Gezegent Zaed van Davids lenden, Lang van de Vaderen verwagt: O Nagt met wien de donk're Nagt Van wolk en schaduwen sal enden!

8. Het Aerdrijk sag geen dageraet Als haer nu naest te wagten staet, Waer in twee Sonnen sullen rijsen, De Son haest billijk met haer Kar, Als nijdig, dat een nieuwe Star, Dit heil de volk'ren aen sal wijsen.

9. Hier leid met 't zwacke vleisch bekleed Des Hemel Heer, om d' Appel beet Van d' eerste Ouderen te boeten; Hier leyd Hy, die in 't Hof belooft, Sal plett'ren het Serpentisch hooft, En treden onder sijne voeten.

10. O heilig Kind, ô wonder spruit Gy trekt mijn ziel ten boesem uit,

Ik volg op 't spoor van d' Herd'ren voeten, Om uw in Bethlems lage Schuer, Waer door ik in uw Hemel gluer, Met blijder hert en stem te groeten.

11. O welkom, welkom, Davids Soon. Mijn waerdste pand en Eere-kroon, Ontfangt van my dit Liefde-teeken, Dat ik mijn lip aen d' uwe druk, Soet Kindeken! by dat geluk Ik alles drek en schade reken.

12. Mijn dorre ziel heeft lang geschreyt Na uwe tegenwoordigheid, Heer wilt gy nu, hier wil ik sterven, Ik sie in u geboorte-dag, Waer op ik willig scheiden mag, Soo 'k u heb, Heer, wat kan ik derven?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dagelyckse huys-catechisatie · Franciscus Ridderus · Poetry Cove