b. Vr.
Waer in bestaet dan de regte gelegentheyt van een godsalige ziele, ontrent de tijdelijke goederen?
Ant. In dese gestaltenisse des herten:
(1.) Dat men om groote rijkdommen nog bidde, nog arbeyde, Prov. 30.8. Armoede, nog rijkdom en geeft my niet, Prov. 23.4.
(2.) Als op onsen neerstigen arbeyd den rijkdom volgt, dat wy die niet verstoten, maer dat wy deselvige wel gebruyken, dog als een toewerpsel in dit leven, Ps. 62.11. Als 't vermogen overvloedig aenwascht, en set 'er het herte niet op, Matt. 6.33. Soekt eerst het Koningrijke Gods, ende zijn geregtigheid, de andere dingen sullen u werden toe-geworpen.
(3.) Als wy wel te vreden zijn in onse staet, hoe die ook voorvalle, vergenoegt zijnde over de geestelijke rijkdommen der ziele, 1 Tim. 6.6. De Godzaligheid is een groot gewin met vergenoeginge, vers 7. Heb. 13.5. U wandel zy sonder geltgierigheid, ende zijt vergenoegt met het tegenwoordige.