c. Vr.
Hoe hielden haer de Pharizeen en Schrift-geleerde over sijn leere en mirakulen?
Ant. Als Christus soo aengenaem was in sijn leere, dat hem selfs sommige rijke Vrouwen volgden, die hem van haer goederen onderhielden: en als hy wederom te Capernaum komende, een mensche verloste, die van den Duyvel beseten was, tot groote vreugde van het volk; soo beschuldigden sy hem dat hy den Duyvel uyt-dreef, door Beelzebub den Oversten der Duyvelen: waer tegens Jesus ernstiglijk heeft gedisputeert, haer dreygende datse over dese beschuldinge souden voor God rekenschap geven, datse sondigden tegen den Heyligen Geest, en datse selfs als een woninge der Duyvelen waren aen te merken, Matt. 12.37. Uit uwe woorden sult gy geoordeelt worden, Matt. 12.22, 31, 41, 43.