c. Vr.
Wat bysondere sonden vind-men onder de Christenen tegen de Gods-dienst?
Antw. Hier tegen worden dese sonden begaen:
(1.) De dag des Heeren word ontheyligt door verboden werken, Ezec. 20.13. Sy ontheiligden mijne Sabbathen seer, Neh. 13.15, 16.
(2.) De doop wordt niet wel beleeft, dewijle de selvige niet soo beleeft word als opentlijk voor de Gemeinte belooft is, Rom. 6.2. Wy die de sonde gestorven zijn, hoe sullen wy nog in deselvige leven? vs. 2, 3.
(3.) Gods Verbond, bevestigt door het Heilig Avondmaal, word over-getreden, 1 Cor. 11.20. Dit en is niet des Heeren Avondmael eten, vs. 27. Wie onwaerdiglijk dit brood eet, Heb. 10.27.
(4.) Gods Woord word sonder vrugt gehoord, Ezech. 33.32. Sy hoorden uwe woorden, maer en doense niet, Matt. 13.19, 20, 21, 22.
(5.) Gebeden worden maer uyt gewoonte gedaen, sonder dat men een heylig en bewogen herte daer toe brengt, Esai. 1.16. Als gy lieden uwe handen uyt-breid, verberge ik mijne oogen voor u, Esa. 29.13. Sy naderen tot my met de lippen, maer haer herte houd sig verre van my.
(6.) De aelmoessen worden seer spaersaem gegeven, en dan nog met een quaed oogmerk, en herte, 1 Cor. 13.1. Al gaf ik al mijn goederen den armen: en dat ik de liefde niet en hadde, soo ware ik niets, Act. 5.3. Ananias ontrok van den prijs des ackers.