c. Vr.
Indien het geloove soo een kennisse heeft, waerom onderscheyt dan Paulus de kennisse van het geloove, 1 Cor. 13.1. Al had ik alle kennisse, en alle geloove?
Ant. Paulus spreekt daer niet van die gemeyne kennisse van die Articulen des Geloofs, nochte van het zaligmakende gelove, maer van die bysondere gave der hooge wijsheid, want hy seyt, Al wist ik alle verborgentheden. En van het geloove der miraculen, daer door men bergen versetten kan. Nu die gave van bloote wijsheid kan wel van het geloove af-gescheyden zijn: Als blijkt Matt. 7.22. Heere hebben wy niet in uwe name gepropheteert? Maer daerom kan 't geloove niet af-gescheiden zijn van een gemeyne kennisse der Aticulen; Want die gelooven sal, moet weten wat hy gelooft.