b. Vr.
Is 'er niet wat wonders gebeurt, terwijle Christus aen het Kruice hing, en na sijn dood?
Ant. Ja het: want terwijle hy nog levendig was, ontstont 'er een groote duisternisse, die wel drie uren duerde: Na sijn dood scheurde het voor-hangsel des Tempels; de Aerde beefde; de Steenrotzen kloofden: en vele Af-gestorvene stonden op uit hare graven, Matth. 27.52. De graven wierden geopent, Matth. 27. vs. 51, 53. Luc. 23.47.