c. Vr.
Hoe soude men de goede begeerten in het herte konnen bekomen ende bewaren?
Ant. Door dese middelen:
(1.) Als men alle quade lusten met droefheyd verneemt, ende met alle mogelijke ernst, door alle middelen tegen-gaet, op datse niet voort-setten, Col. 3.5. Doodet dan uwe leden die op der aerde zijn, namelijk, hoererije, onreinigheid, schandelijke beweginge, quade begeerlijkheid, Rom. 7.24. Ik ellendig mensche! wie sal my verlossen van het lichaem deses doods?
(2.) Als men de uyterlijke sinnen wel bewaert, datse niet afweyden tot wereldsche en sondige dingen, maer dat men deselvige gewend ontrent heylige en stigtelijke dingen besig te zijn, Job. 31.1. Ik hebbe een verbond gemaekt met mijne oogen, hoe soude ik dan agt gegeven hebben op eene Maegt? Ps. 119.37. Wend mijne oogen af, datse geen ydelheid en sien, Ps. 27.4.
(3.) Als men de gedagten gestadig besig houd ontrent God, en sijn al-siende oog, ontrent den Hemel, en andere heylige dingen, Col. 3.2. Bedenkt die dingen die boven zijn, niet die op der aerde zijn, Ps. 16.7, 8. Ik stelle den Heere geduriglijk voor my.
(4.) Als men vyerig bid om een goed herte, Ps. 119.36. Neigt mijn herte tot uwe getuigenissen, en niet tot gierigheid, Phil. 4.7.