c. Vra.
Hoedanige zijn nu dese lieden, die als mannen, de sterkste zijn in de pligten der godsaligheyd?
Ant. Sy zijn in desen staet:
(1.) Sy hebben groote kennisse van Gods Koningrijke, en verstaen 't begin der zaligheyd in Gods verkiesinge, Rom. 8.29. Die hy te voren gekend heeft, die heeft hy ook te voren verordineert den beelde sijns Soons gelijkformig te zijn, 1 Joh. 3.14. Ik hebbe u geschreven Vaders, want gy hebt hem gekend die van den beginne is.
(2.) Sy verrigten hare pligten met minder strijd, want sy hebben het vleesch gekruyst, 1 Cor. 6.13. Ik sal onder geenes magt gebragt worden, Gal. 6.14. De wereld is my gekruist, en ik de wereld.
(3.) Hoe verre datse gekomen zijn, altijds blijft 'er nog onvolmaektheid in haer, Jac. 3.2. Wy struikelen alle in velen, Rom. 7.24.