a. Vr.
Heeft dese Gemeinschap der Heiligen geen uytwendige pligten der geloovige onder malkanderen?
Ant. Ja: 2 Cor. 12.15. Indien de voet seide, dewijle ik de hand niet en ben, soo en ben ik van het lichaem niet, is die daerom niet van het lichaem? vs. 16, 17, 18. Eph. 5.16. Uit welken het geheele lichaem bequamelijk te samen gevoegt, ende t'samen vast gemaekt zijnde, door alle voegselen der toebrenginge, na de werkinge van een ygelijk deel in sijne mate, den wasdom des lichaems bekomt, tot zijn selfs opbouwinge in de liefde.