c. Vr.
Hoe moeten wy ons in ons beroep dragen?
Ant. Wy moeten dese dingen doen:
(1.) Wy moeten yder op ons eigen beroep meest agt geven, om daer in stantvastelijk en vrugtbaer te leven, siende niet soo seer hoe andere haer beroep waer nemen, als wel hoe wy het onse beleven? 1 Pet. 4.15. Dat niemand onder u en lijde als een die sig met eens anders dingen bemoeyt, 1 Thess. 4.11.
[2.] Wy moeten niet versuimig en traeg wesen, maer met alle yver en neerstigheid ons oeffenen in onse beroepinge, Eccl. 9.10. Alles wat uw' hant vint om te doen, doet dat met al uw' magt, Prov. 10.4. De hand des vlijtigen maekt rijk, Prov. 21.5.
[3.] Wy moeten tegen alle swarigheden wel gemoed zijn , ende met kloekmoedigheyt deselve te boven soeken te komen, sonder daerom ons beroep te laten varen, Prov. 24.10. Vertoont gy u slap ten dage der benautheit, uwe kragt is nauwe, Prov. 22.13. De Leuyaert seid, daer is een Leeuw buiten, ik mogte op 't midden der straet gedood worden, Prov. 20.4.
[4.] Wy moeten met een matige winninge te vreden zijn, sonder gierigheyt ons generende, Prov. 28.20. Die haestig is om rijk te worden, en sal niet onschuldig zijn, 1 Tim. 6.6, 7, 8, 9, 10.