c. Vr.
Is dese predicatie sonder tegen-spreken ge-eyndigt?
Antw. Neen: maer de Joden, gebelgt zijnde dat hy haer soo scherpelijk bestraft, beschuldigden hem dat hy een Samaritaen was, ja, dat hy den Duivel in had: en als Jesus dit beantwoorde, tonende dat God zijn Vader was, en dat haer Vader Abraham met vreugde zijnen dag had gezien, so meinden de Joden hem te steenigen; dog Jesus ging den Tempel uyt, Joa. 8.59. Sy namen steenen op, op dat syse op hem wierpen, Joa. 8.34, 35, 44, 48, 52.