Stemme: Psal. 103. Mijn ziele wilt den Heer, &c.
1. O Zaligh mensch; die door des Heeren wonden,
Duyvel en Dood nu gantsch'lijk siet verslonden.
Die door 't Geloof in Godes gunst zijn herstelt.
Wat sal of Dood, of Duivel ons meer hind'ren?
Wy zijn door 't geloove Gods Kind'ren,
Wij zijn verlost van al het Helsch gewelt.
2. Ons Beste-moer baerd' ons voor Godes toren,
Ons beste-Broeder heeft ons nu herboren,
soo dat nu God ons Beste-vader is:
Nu mogen wy vrymoedig al te gader,
Door den geloove roepen, Abba Vader!
Want onse God ons nu wat nader is.
3. Wat roemt een mensch op d' af-komst van een Koning?
Ons Vader heeft in 't Heylige sijn Woning:
Wat roemt de mensch op sijn Geboorte-stad?
Gods Stad die gaf ons 't eerste kinder-wesen?
Wie heeft oyt soo een Broederschap gehad?
4. Wat roemt de mensch op 't erfgoed van sijn Oud'ren?
Geen Sampson droeg ons erfdeel op sijn schoud'ren:
Wat roemt de mensch op vrienden vordering?
Ons Broeder maekt ons meer als aerdsche Goden;
Wat roemt de mensch op menigten Dienst-boden?
Wy zijn voor d' Englen dienst niet te gering.