b. Vr.
Hoe is het met de belegeringe van Jerusalem gegaen?
Ant. Na datse in de Stad veel ellend' door honger en pestilentie hadden uytgestaen, belegert zijnde geweest den tijd van ander-half jaer; So zijn de Chaldeen in de Stad gebroken, en hebben grouwelijk gemoord en gebrand: de Koning Zedekia meinde te ontvlugten, wierd by Jericho achterhaelt, en te Ribla by den Koning van Babel gevoert, die sijn sonen dode voor zijn oogen, nevens zijne Vorsten, en stak zijn oogen uit, en also gebonden in twee ketenen, wierd hy na Babel gevoert, alwaer hy in gevangenisse is gestorven, Jer. 52.9. Sy dan grepen den Koning, Jer. 52. vs. 6, 7, 11, 13, 2 Reg. 25.19, 20, 21.