c. Vra.
Maer hoe sal een swak geloovige sig nog konnen gerust stellen dat hy nog een goed geloove heeft al is 't kleyn en zwak?
Antw. Dit kan men uit dese teikenen kennen:
(1.) Indien men nog heeft een opregte begeerte om met Christo te mogen vereenigt blijven, Matt. 5.6. Zalig zijnse die hongeren en dorsten na de geregtigheid, Matt. 14.30.
(2.) Indien men sig houd aen het Woord des Geloofs, ende dat men arbeyd om sterker te worden, 1 Pet. 2.2. Als jonge kinderkens, zijt seer begeerig na de onvervalschte melk van Gods Woord, Joh. 6.68. Petrus seide, Heere tot wien souden wy gaen gy hebt de woorden des eeuwigen levens?
(3.) Als dese kleyn geloovigheyd niet ontstaet uyt lust tot de sonde, en tot de wereld; maer alleen door eenige struikelinge ten- tatie, ofte uyt ongevoeligheyd van Christi liefde in het herte, Ps. 13.2. Hoe lange Heere, sult gy mijner steeds vergeten, hoe lange sult gy u aengesigte voor my verbergen? Esa. 49.14. Zion seid, de Heere heeft my verlaten.
(4.) Indien men sig selven nog evenwel houd in de wegen Gods, ende geen grooter vreugde wenscht, als dat men Christum nader mag gevoelen, Ps. 75.25. wien heb ik neffens u in den Hemel? ende neffens u en lust my niet op der Aerde, Psal. 35.3. Segt tot mijne ziele, ik ben u heil.