c. Vra.
Op wat gronden konnen wy dese onse hope vast setten?
Ant. Het geloove is de gemeyne vaste grond der dingen die men hoopt, Heb. 11.1. Het welke ons aendient dese gronden.
(1.) God Vader heeft voorgenomen alle die salig te maken dewelke in Jesum gelooven, en hem liefhebben, Joh. 6.40. Dit is de wille des Vaders die my gesonden heeft, dat een ygelijk die den Sone aenschouwt, ende in hem gelooft, het eeuwige leven hebbe, Act. 2.47. 1 Pet. 1.5. Gy die in de kragt Gods bewaert word door het geloove tot zaligheid.
(2.) Christus bid gedueriglijk voor de geloovige, ende besorgt hare zaligheid, Joh. 17.24. Vader ik wil, dat daer ik ben, ook die by my zijn, die gy my gegeven hebt, Joh. 12.32. Ik salse alle tot my trecken.
(3.) De Heilige Geest heiligt ende bewaert de vrienden Christi ten eeuwigen leven, Eph. 1.14. Die het onderpand is van onse erffenisse, tot de verkregene verlossinge, Rom. 8.11, 15, 16.
(4.) De Kerke geeft hier toe Goelijke en seer vaste zegelen, ende Godlijke eeden, Hebr 6.17. God is met eenen eed daer tusschen gekomen, vers 18. Op dat wy door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroostinge souden hebben, wy, namelijk, die den toevlugt genomen hebben, om de voorgestelde hope vast te houden, Marc. 16.16.