Skip to content
1700

Dagelyckse huys-catechisatie

Franciscus Ridderus

b. Vr. Wat dient men te doen, eer men gaet bidden? Ant. Men dient dese dingen te voren wel te overdenken? (1.) Wie hy is tot wien wy sullen gaen spreken, namelijk, de groote, heerlijke, regtveerdige, barmhertige God, de Hertenkender, etc. Gen. 18.27. Siet dog ik hebbe my onderwonden te spreeke tot den Heere, hoewel ik maer stof en assche ben, Esai. 26.10. De godloose en siet de hoogheid des Heeren niet aen.

(2.) Wat dingen ons noodig zijn na ziele en lichaem, ende welke dingen wy als de meest noodigste, eerst, en meest moeten bidden Matt. 6.33. Soekt eerst het Koningrijke Gods, en zijne geregtigheid, Hos. 7.14. (3.) Wat sonden wy by ons hebben, daer van wy ons moeten reinigen, dewijle hier door die verhooringe der gebeden verhindert word, Prov. 15.8. Het offer der godloosen is den Heere eenen grouwel, maer het gebed der opregten is zijn welgevallen, Deut. 32. vs. 19, 20, 21. Thren. 3.42. Wy hebben overtreden, ende wy zijn wederspannig geweest, daerom en hebt gy niet gehoort. (4.) Wy moeten God te voren bidden met uitschietende hertstogten, dat hy, en ons wil leeren bidden, en dat hy ons gebed sig wil laten wel-gevallen, Ps. 19.15. Laet de redenen mijnes monts, ende de overdenkinge mijnes herten welbehagelijk voor u aengesigte zijn, ô Heere! Ps. 51.17. Heere opent mijne lippen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dagelyckse huys-catechisatie · Franciscus Ridderus · Poetry Cove