c. Vr.
Moet 'er in de Kerke niet zijn een sichtbaren Rechter, na wiens oordeel een uytsprake de Schrift moet verstaen worden?
Ant. Neen; dewijle God soo een onfeylbaren Rechter niet heeft ingestelt, maer wijst ons, dat wy tot de Schriftuer selve gaen moeten, om den sin te verstaen, Esa. 8.20. Tot de Wet, ende het getygenisse 1 Tim. 4.8. Act. 17.11. Dese waren edelder dan die te Thessalonica waren, als die 't woort ontfingen met alle toegenegentheyt, ondersoekende dagelijks de Schriften of dese dingen alsoo waren.