b. Vr.
Hoedanige zijn de kragten van den Mensche ontrent zijn bekeeringe?
Ant. De kragten zijn dood en gestorven, Col 2.13. Hy heeft u als gy dood waert in de misdaden, en in de voor-huyt uwes vleesses, mede levendig gemaekt met hem, alle uwe misdaden u vergevende, Eph. 2.1. Joh. 8.34. Jesus seide, voorwaer segge ik u, een yegelijk die de sonde doet, is een Dienstknecht der sonde.