c. Vr.
Wanneer moeten de getrouwde sig onthouden van de onderlinge gemeynschap des beds?
Antw. By dese twee voor-vallen:
[1.] Soo lange als het der vrouwen gaet na hare wijse, Lev. 18.19. Ook en sult gy tot de vrouwe, in de af-sonderinge van hare onreinigheid niet naderen, Ezech. 20.10.
[2.] Wanneer het tijden zijn van sonderlinge droefheyd, 1 Cor. 7.5. En ontrekt u malkanderen niet, 't en zy dan met beider toestemminge voor eenen tijd, op dat gy u tot vasten en bidden meugt verledigen, 2 Sam. 11.11. Joël. 2.16.