c. Vr.
Maer hoe seyt dan Jacobus Jac. 2.5. En heeft God niet uytverkoren de arme deser werelt, rijk in ´t geloove?
Ant. Jacobus wil soo weinig seggen, dat het geloove gaet voor de verkiesinge, als hy wil seggen, dat, Erfgenamen des Koningrijks te zijn, gaet voor de verkiesinge, 't welk is het eynde en gevolg op de verkiesinge, Act. 13.48. Maer de sin is, dat God de arme ook heeft verkoren, op datse rijk souden zijn in den geloove; Ofte, dat den arme na den lichame, die rijk zijn in den geloove, ook van God verkoren zijn, Matt. 11.25. Ik danke u Vader, dat gy dese dingen den kleinen hebt geopenbaert, 1 Cor. 1.26.