b. Vr.
Wat gesigten sag Johannes over de heilige Martelaren, die van het Beest gedood waren?
Antw. Hy sag een Engel die den Duyvel voor duisent jaren vast bond; en de Martelaren sag hy op Throonen sitten; dog daer na wierd de Satanas ontbonden, en verwekte vervolginge tegen de vrome, door Gog en Magog. Dog het vyer verslond'se; en de Duivel wierd in den afgrond geworpen: Daer op volgden een witten Throon, daer eenen op sat voor wie Hemel en Aerde vervloden, en voor wie alle menschen ten oordeele verschenen, Apoc. 20.12. Ik sag de doode klein en groot, staende voor God, Apoc. 20.3, 4, 8, 13.