b. Vr.
Kan men dan wel bewijsen, dat die heylige Mannen hare feylen hebben gehad?
Ant. Ja: Want van David is 't bekent, die ook bad, Ps. 19. vs. 13. Reinigt my van de verborgen afdwalingen, Josia sondigde 2 Chron. 35.22. Doch Josia en keerde sijn aengesigte niet van hem, maer hy verstelde sig om tegen hem te strijden, ende en hoorde niet na de woorden van Necho, uit de mont Gods, 2 Reg. 22.23. Van Asa wort geseit, 2 Chron. 16.12. Asa sogt den Heere niet in zijne krankheid, maer den Medicijn meester, Hiskia belijd selve, Esai. 38.17. Gy hebt alle mijne sonden achter uwe rug geworpen. Zacharias verliep sig in ongeloovigheyd, daerom hy met stomheyd wierd geslagen, Luc. 1.20.