c. Vr.
Wat redenen behoort men over de maeltijd te voeren?
Ant. Men behoort te spreken van dese dingen:
(1.) Van Gods goedheyd in het versorgen van onse tafel door soo veelderhande spijs, etc. Act. 14.17. God doed goet uit den Hemel, vervullende onse herten met spijse en vrolijkheid, 1 Tim. 4.4. Ps. 23.5. Gy regt de tafel toe voor mijn aengesigte, gy maekt mijn beker overvloeyende.
(2.) Wy moeten spreken van onse onwaerdigheyd om selfs het minste kruymken broods te gebruiken, dewijle wy door onse sonden alles verbeurt hebben, Gen. 32.10. Jacob seide, och Heere, Ik ben geringer dan alle dese weldadigheden, Gen. 28.20. Ruth. 2.10.
(3.) Van het magtig gebruyk der Schepselen, Tit. 2.12. De zaligmakende genade onderwijst ons, dat wy de godloosheid, ende de werelsche begeerlijkheden versakende, matiglijk, en godsaliglijk, ende regtvaerdiglijk leven souden in dese tegenwoordige wereld, 1 Cor. 10.31, 32, 33.
(4.) By occasie van de aerdsche spijse en maeltijd,soo moeten wy spreken van de geestelijke en hemelsche spijse en maeltijd, Matt. 8.11. Vele sullen komen van Oosten en Westen, en sullen met Abraham, Isaac, en Jacob aensitten in het Koningrijke der Hemelen, Luc. 14.15, 16, 17. Apoc. 19.8, 9. Schrijft, zalig zijnse die geroepen zijn tot de bruiloft des Lams.