b. Vr.
Hoe moeten sig de Ouderlingen gedragen?
Ant. De pligten der Ouderlingen zijn dese:
(1.) Sy moeten van een goed leven zijn, dewijle yder geloovige wel moet leven, soo moeten het de Ouderlingen insonderheid doen, Act. 20.28. Hebt agt op u selven, 1 Pet. 5.3. Als voorbeelden der kudde, 1 Tim. 3.1, 2, 3, 4.
(2.) Sy moeten een sonderlinge agt geven op de Gemeinte, Act. 20.28. Hebt agt op de geheele kudde, 1 Cor. 12.28.
(3.) Sy moeten haer laten gebruyken in het besoeken van sieke en kranke, als mede by andere voor-vallen in de Gemeinte, Jacc. 5.14. Is yemand krank onder u? dat hy tot hem roepe de Ouderlingen der Gemeinte, ende dat sy over hem bidden.
(4.) Sy moeten de Predicanten by alle voor-val behulpsaem wesen, en haer eere en respect na vermogen helpen beschermen, 1 Tim. 5.17. Dat de Ouderlingen die wel regeren, dubbeler eere waerdig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het woord, en de leere, 1 Thess. 5.13.