Van op-spraecke der menschen die men verdraegen moet.
DIe noch ontsiet wat d'ander van hem seggen oft peysen sullen,
Desen moet sijn herte met meer duysent onrusten vervullen
Ende om dat hy van binnen altydts ongestadigh is als een riet,
Daerom en bevint hy Godts heymelijckheydt in sijn ziele niet.
Oock iet te willen schynen, op dat sijn vrienden eere van hem behaelen,
Dat is de bedeckste valscheyt, die van alle inwendigheyt doet af-dwalen.