Skip to content
1863

Mengelpoezy. Deel 3

Francis Jozef Blieck

II.

Uw lot, o Wervick, is gezonken, Uw sterrenkrans verdoofd, Nadat hy op uw maegdlyk hoofd Meer dan drie eeuwen heeft geblonken. Ontluisterd ligt gy daer, van kracht en wil beroofd.

Gy slaept; uw heilig vuer vergaet, uw wierookvaten Vervelen u; de kunst vervreemt in uwen schoot, De kunst, op uw tooneel zoo lang vergood. Nu schaemle wees, van elk verlaten, Betreurt zy haer gezin in de armen van de Dood, En haren tempel in de magt van Erostraten.

Gy slaept; uw dag verkeerde in nacht, Terwyl de auroor uw zustersDe Vlaemsche steden. tegenlacht, Als maegden, uit de rust getreden, Als vaderlandsche aenvalligheden, Als bruiden, door haer bruidegoms verwacht.

Gy slaept; de telg van onverbasterde ouderen Ontwaekt niet als germaensche vrouw. De Tyd ontbloot u hoofd en schouderen, En toont een vlek op 't wit der nederduitsche trouw.

o Wervick, wen het vlaemsch, gezuiverd in uw toonen Door 't schouwtooneel, ontvloeide aen hart en mond, Niet enkel van uw noorderzonen, Maer uwer telgen van d'ontscheurden zuidergrond;Ingenomen door Frankryk. Wen beider geest, gemoed en zeden, Getrouwe spiegel van 't verleden, Versmolten in elkaêr, en steven hun verbond; Verheven boom, welks kroon u overdekte en sierde, En u beschonk met bloem en vrucht, Terwyl daerboven, in de lucht, Der Vadren eerbanier zich breed ontvouwde en zwierde; Wanneer uwe oogen die verbroedring, die genugt, Dien zegen uwer kindren zagen, Dan glansdet gy van roem- en heilbehagen.

En vroeger, eer u 't oorlogslot Een deel van 't lyf had afgeknot, En toewierp aen den trotschen arend, Nog immer onverzaed, op 't wederdeel nog starend; En dieper in 't verleden, in den stryd Europa door gevoerd, en die, na godsdienstwallen En troonen, Rome toegewyd, Ook Vlaendrens schouwburg neêr deed vallen;Op het einde der 18e eeuw. Wat zag de Tyd?

U neêrgeknield voor twee altaren, Vereenigd God- en kunstgewyd gebouw; En op dien steen, die rots van trouw, Verachten 't blind geraes en schuim der afvalbaren.

Hy zag uw bloeijend schouwtooneel, Een leer- en deugd- en lustprieel,

Een hulpdak van Gods woning; En 't juichend volk, er toegesneld, Gelyk een vloed die bruist en zwelt, Of als een byënzwerm in 't korfje, ryk aen honing.

En Vlaendren mengde een blyden galm In 't ruischen van den schouwburgpalm, Die eerlyk stond in Wervicks dal te groenen. En Brugge kwam, en Brugge, alsdan vermaerd, Verscheen in 't veld met haren Everaert, En plukte een blad op keur van kampioenen.In of kort na het jaer 1530, met Everaerts tooneelspel Maria ghecompareert by den scepe.

En Vlaendren juichte menigmael Wanneer de zon van zegenprael Dat Leijedal belonkte. En Wervick, die in stryd by stryd Haer zonen zag belauwerd,Namelyk in de tooneelstryden te Kortryk, Poperinghe, Dixmude, Comen en Belle gegeven omtrent het midden der 16e eeuw. was verblyd Gelyk een moeder die met roem van kindren pronkte.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.