Skip to content
1666

d'Enchuyser Ybocken

Femme Gerbrantsz. Drieduym

Stemme: Oosterlingh! seyd' sy Oosterlingh, Ofte, O Heylich saligh Betlehem.

WAt is het nu een slechte tijt! Een Kalis weet niet veel te winnen: En 't geen men heeft dat raecktmen quijt, Behalven radeloose sinnen.

2. Wel eertijdts in mijn Ionge fleur Was ick een hertjen sonder sorgen: Maer nu is 't menighmael getreur; Want Truy-buur wil niet langer borgen. 3. Waer ick alleen, ten was geen noodt; Maer Wijf en Kind'ren my beswaren: Mijn Ambacht is soo goed als doodt, Niet beter als om veer te varen. 4. Nae Vranckrijck is de Huur te min En Oosters uyt kan 't weynigh wesen; De Straet woud ick wel garen in, Behoefd' men niet den Turck te vreesen. 5. Oost-Indien houd' ick lief en weert, Het wort van menigh Man gepresen; Want als het goet hier is verteert, Soo kan men daer noch Ioncker wesen.

6. O rijck en wijt vermaerde Strandt, Wie kan u staet en schat ontbinden? Want is'er een Luy-Lecker-Landt, Dat salmen in Oost-Indjen vinden. 7. Mijn Pack en Sack is al gereet, Ick meen wel haest van hier te scheyden: En is'er noch een lecker beet, Die mach hem oock in tijdts bereyden. 8. De Trommel slaet, maeckt u gereed, Het is een Reys voor weynich Iaren, Al die met de gekroonde Vreed' Nae 't Rijck van Iacketra wil varen. 9. Adieu mijn Wijf en Kind'ren al, Ick gae om een goe buyt te halen; Als ick weer by u koom, dan sal Ick alle man met Goudt betalen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
d'Enchuyser Ybocken · Femme Gerbrantsz. Drieduym · Poetry Cove