Skip to content
1666

d'Enchuyser Ybocken

Femme Gerbrantsz. Drieduym

Op de Wijse: Wel op wel op ick gae ter jacht. 1. WAt heb ick menigh droeve traen, Suure tochten uyt-gestaen? Maer nae lijden Komt verblijden, Nae het suur komt nu het soet, Dat Ziel en Lijf verheugen moet. 2. God heeft mijn Lichaem uyt het stof Op-geweckt tot sijnen lof, Ongeschonden Vry van sonden, Vlugh en veerdigh over al, Dat eeuwighlijck soo blijven sal.

3. Nu is de vreughde gantsch volmaeckt, Godt, die voor de sijne waeckt, Heeft mijn leden, Die beneden Sijn vergaen, oock het gebeent met mijne ziel nu weer ver-eent. 4. O! Heyligh, heyligh, heyligh Heer! U sy alle prijs en eer, Dat u Name Van ons t'same Werde lof en danck geseyt, Van nu tot in der eeuwigheyt. 5. Hoe heerlick is ons erf en lodt, Dus te woonen by ons Godt, Sonder lijden, Of benijden,

Vol van vreught, en vry van pijn, Waer van oock noyt een eynd sal zijn! 6. Hier hoeft geen Son noch Mane-licht, 't Heyligh Lam geeft ons gesicht, Ster noch stralen Hier niet dwalen, Iaer noch Maent men hier oyt sach, Hier achtmen duysent Iaer een Dagh. 7. Hier vreest men Vyand noch verdriet, Al dat gespuys en komt hier niet: Wie kan seggen, En uyt leggen, Het vermaeck van desen staet? Dat ons al verr' te boven gaet. 8. Geen ooge schout dees' vreughd recht aen, En geen oor kan die verstaen,

Ons' gedachten 't Niet en achten, Wat een staet en heerlijckheyt Godt voor sijn Kind'ren heeft bereyt. 9. Och! hadden zy, die hier beneen Leggen knerssen met geween Op haer tanden, 't Harer schanden, 't Leven beter aen-gestelt, Dan wierden sy soo niet gequelt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
d'Enchuyser Ybocken · Femme Gerbrantsz. Drieduym · Poetry Cove